Bij de tramhalte staat een vrouw te huilen. Snikkend kijkt ze naar de vingers van haar rechterhand, waarvan ze de toppen zachtjes tegen het glas van het tramhokje drukt. Met haar andere hand strijkt ze over haar duidelijk zwangere buik. Ik weet dat het niet hoort, maar ik kan niet ophouden naar haar te kijken. Ze ziet mij niet. Ze kijkt onophoudelijk naar haar hand die op het glas rust.
‘Gaat het?’ vraag ik ten slotte. ‘Kan ik u helpen?’
Ze draait haar hoofd en veegt snel met de rug van haar hand over haar betraande gezicht. Ze ziet jou, net twee weken oud, slapend in de draagdoek, en zet een aarzelende stap in mijn richting. Terwijl ze jou van dichterbij bekijkt, houdt ze met beide handen haar buik vast. Ik herken de mengeling van verlangen en onzekerheid waarmee ik nog niet zo lang geleden zelf naar pasgeboren baby’s keek. De vrouw kijkt van jouw hoofd omhoog naar mijn gezicht. Een seconde lang kijken we elkaar in de ogen. Haar ogen haken zich ergens in vast, ik voel het, er is een siddering. Alsof ze iets afschuwelijks herkent in mijn blik. Dan begint ze opnieuw onbedaarlijk te wenen.
‘Mijn octopussen gaan dood,’ jammert ze. Het snot loopt over haar lippen.
De vrouw draagt een kleine jongen in haar buik. Over enkele weken wordt hij geboren, vertelt ze, kijkend naar jouw slapende lijfje. We zitten naast elkaar op het bankje, terwijl de ene tram na de andere voorbijrijdt en haar snikken langzaam opraken.
Ze werkt voor de universiteit. Al maandenlang zorgt ze voor een tiental octopussen. Uren heeft ze bij hun tank gespendeerd, terwijl ze aantekeningen maakte en vol fascinatie de bewegingen van hun gepokte, weke lichamen volgde. Ze zag hen jagen op de wenkkrabben die ze in de tank losliet, ze zag hoe ze behoedzaam met één arm over de wand van het aquarium tastten, zuignap na zuignap van het glas proevend. Na een tijdje ving ze soms hun blik. Die blik, verzekert ze me, was niet de blik van een dier.
Aldoor had ze geweten waar zij en haar octopussen naar onderweg waren. Ze kende het protocol van het experiment, ze had het zelf geschreven. Het was haar eigen, ijselijke wetenschappelijke nieuwgierigheid die haar tot getuige had gemaakt. En nu, nu het experiment op zijn einde loopt, staat ze na het werk bij de tramhalte te janken van afschuw.
‘Het is ondraaglijk,’ zegt ze hortend, ‘ik wil die tank nooit meer zien.’
Maar ze moest kijken. Het experiment moest volbracht worden en zij moest noteren. Ze moest vastleggen hoe de wijfjes paarden en hoe ze, nadat ze hun eitjes hadden gelegd, steeds minder gingen eten. Ze broedden op hun legsel als diepzeekippen op hun nest. Ze aaiden hun eitjes en bliezen er zachtjes water over, maar met iedere dag die voorbijging, voedden ze zich minder, om uiteindelijk helemaal te stoppen met eten.
Wanneer de eitjes bijna uitkwamen, verlieten de wijfjes hun legsel en begonnen ze zichzelf tegen de wand van de tank te slaan. Keer op keer smeten ze hun verzwakte lijf tegen het glas, alsof ze hun verblekende lichaam zo snel mogelijk kapot probeerden te krijgen. Uren aan een stuk had de vrouw bij de tank gezeten, luisterend naar het doffe ploffen, en in haar keel groeide een weekdier dat haar strot toekneep als zijn schelp. Vandaag was een wijfje voor haar ogen begonnen met het verscheuren van haar eigen huid.
‘Het is een klier in hun ogen,’ zegt de vrouw en ze probeert niet te huilen. ‘Die klier scheidt een soort zelfvernietigingshormoon af bij gedekte wijfjes. Geen enkele octopus overleeft de geboorte van haar eigen jong.’
Er was een tijd waarin er witte vlekken zaten op alle wereldkaarten. In die tijd hing de hemel niet vol satellieten en werden vragen over verre continenten reizend per boot beantwoord – of niet. Waar de antwoorden ontbraken, vulden de kaartenmakers de witte vlekken op met tekeningen van fabeldieren. ‘Hic sunt dracones,’ schreven ze erbij. Het was een waarschuwing voor hen die onbekende landen wilden betreden. Hier leven draken. Niet in de letterlijke zin van het woord, maar in die zin dat we, wanneer we helemaal niets weten van het terrein waarop we ons wagen, net zo goed levend verslonden zouden kunnen worden.
Wat wist ik eigenlijk van het moederschap?
In alle eerlijkheid had ik het altijd slechts langs de buitenkant bekeken. Moeder, dat betekende onvoorwaardelijkheid en zorgzaamheid. Moeder, dat betekende iemand anders liever zien dan jezelf. Dat je niet op die manier geboren wordt, daar had ik nooit over nagedacht – tot de dag van jouw geboorte dichterbij kwam en ik begreep dat ze voor jou in mij zouden knippen en snijden als dat nodig was, in mijn intiemste vlees als dat nodig was, voorbij mijn angsten, voorbij mijn afschuw, voorbij mijn wil zelfs, als dat nodig was voor jou.
Daarmee, en dat voelde ik meer dan dat ik er toen de woorden voor had, betrad ik een leven aan de overzijde van het zelf, dat ik natuurlijk te vinden had, maar niet natuurlijk vónd. Ik voelde me op een andere plaats in mijn eigen leven neergezet, ver buiten het centrum waar ik tot dan toe naïef verbleven had.
Je hoort wel eens dat, op het moment van de geboorte van een eerste kind, ook een moeder geboren wordt.
Voor mij was het moederschap iets dat ik te verwerven had, als een vreemde taal vol ingewikkelde klanken en geforceerde wendingen.
Moederschap: van op een afstand leek het zo eenvoudig als de relatie van een moeder tot haar kind.
Zo heb ik het nooit ervaren. Wij waren nooit gewoon met twee. Er was jij, er was ik, en er waren alle moeders van alle mensen, op alle plekken in alle tijden.
Plots probeerde ik me te spiegelen aan vrouwen met wie ik niets gemeen had behalve het feit dat zij mij in die moederrol waren voorgegaan. Ik probeerde hun huid aan te trekken, mijn twijfel erin te verstoppen. De hele eerste week na onze thuiskomst uit het ziekenhuis bakte ik manisch quiche en koekjes en propte ik voortdurend de wasmachine vol.
Hoe onvoorstelbaar, dat mijn hoofd nergens anders houvast kon vinden dan in de rollenpatronen die ik voordien zo bewust vermeden had. De ironie ervan ontging mij niet, maar de betekenis ervan wel: dat onze tijd samen nog te kort was, dat er een vacuüm was waar een nieuwe identiteit moest groeien, en dat ik de put probeerde te dempen door hem te vullen met andere vrouwen.
Door jouw moeder te worden landde ik ergens op een onstabiele plek in de keten van generaties. Ik werd jouw moeder, maar ook mijn eigen moeder, en haar moeder. Ik werd herhaling, ik werd verzet. En ik werd verdriet.
Mijn ogen zijn toe en mijn schedel zinkt zwaar in het kussen. Ik zoek naar de diepte, de duisternis, maar mijn hoofd is een helverlichte vlakte, monochroom, desoriënterend wit.
In die allereerste nachten is de slapeloosheid niet onrustig. Ik word niet bestookt door hardnekkige gedachten, ik word niet uit mijn slaap gehouden door woorden of beelden. Er is eenvoudigweg een sluiter die niet dicht raakt. Een mechanische fout, waardoor mijn waken even bodemloos is als de slaap.
Boven ons dak zwellen vliegtuigmotoren af en aan. Jouw adem hapert in het duister, en haalt zichzelf weer in. De lucht in de kamer is zwaar van de verspilde melk. Ik ben alert. Benauwd, ondanks mezelf.
Er kantelt iets.
Tijdens deze wezenloze uren ontdek ik een website waarop je in realtime de beelden van verschillende webcams kan volgen. Met enkele klikken kan ik mijn blik richten naar een ander hier en nu, begrensd door de rand van mijn laptopscherm.
Het vaakst surf ik naar een camera op Antarctica, gericht op een onderzoeksstation. Vanuit mijn bed, met jouw hoofdje in de holte van mijn oksel, zie ik hoe de zon over de verblindende sneeuwvlakten schiet. Wit, herkenbaar wit, troostend wit.
Het troost mij omdat de camera machinaal registreert, zonder onderscheid, zonder regie of samenhang. Wanneer ik naar de webcam kijk, lijken de wereld en ik gemaakt van hetzelfde, onthechte materiaal. Wat er ontbreekt binnen in mij, ontbreekt ook op deze beelden.
Ik zie mezelf op bed liggen, in het blauwige licht van het laptopscherm. Ik zie jou naast me op de matras, in je karakteristieke houding uit die eerste maanden: de holle kromming van je rug, je hoofd achterover in je nek.
Wat me verwart, is dat ik niet weet waar Hannes is in deze herinnering. Ik weet dat hij en ik rond deze periode begonnen af en toe apart te slapen, maar er zitten zoveel gaten in mijn geheugen. Hoe kan ik op die manier de weg terug vinden?
Wat ik me herinner:
1.
Hannes, lezend, in bed. Jij, slapend, in de kom van zijn arm, op mijn vertrouwde plekje. De vraag waar ik nu mijn hoofd kon leggen, infantiel en onuitgesproken, tussen Hannes en mij in.
2.
Ik zeg: ‘Het voelt niet goed.’
zegt: ‘Hoezo? Er is niets aan de hand. We hebben het toch gezellig samen?’
Spreken over die lange maanden waarin jij en ik ononderbroken samen thuis waren, vervult me nog steeds met schaamte en afschuw. Om in alle stilte meer grip te krijgen op die periode doorloop ik de e-mails die ik toen ontving. Het zijn er opvallend weinig.
Eerste vaststelling. Tussen de e-mails zitten verschillende boodschappenlijstjes. Al zolang ik me kan herinneren, mail ik die naar mezelf. Wanneer ik de lijstjes van vlak na jouw geboorte wat beter bekijk, herken ik er flarden van gerechten in. Het zijn gerechten uit de tijd voor ik moeder werd. De meeste ervan heb ik sindsdien nauwelijks nog klaargemaakt.
Naarmate de weken verstrijken, veranderen de boodschappenlijstjes. Ze ontsporen en desintegreren. De verschillende ingrediënten passen niet goed bij elkaar. Sommige lijstjes heb ik verschillende keren opnieuw naar mezelf gestuurd, telkens met nieuwe aanvullingen. Op bijna ieder lijstje prijkt ‘pasta’.
Plots zie ik weer voor me hoe Hannes het zoveelste pak pasta thuisbracht van de supermarkt, hoe ik het ongeopend in de voorraadkast stouwde – om een week later gewoon opnieuw ‘pasta’ op de lijst te zetten.
Je bent drie weken oud. Ik sta bij het raam en ik wieg je. Een tiental meter verder steunt een man op zijn ellebogen op de vensterbank van zijn open raam. Zijn haar is opgeschoren boven zijn oren en hij heeft een stoppelbaard van dagen. Hij trekt nerveus aan zijn sigaret, met lange halen.
Hij rookt met de gulzigheid waarmee jij naar mijn tepel hapt. Dunne rooksliertjes ontsnappen van tussen zijn lippen. Ze hebben de kwetsbare binnenkant van zijn lichaam gezien, de kraakbeen ringen van zijn luchtpijp, de lobben van zijn longen. Met iedere ademhaling wordt de man eenzamer. De rook heeft geen geheugen maar neemt iets mee.
Mijn nachthemd hangt open. Tussen de voedingen door maak ik het niet meer dicht. Ik kleed me ’s ochtends ook niet meer aan. Het geeft niet. De man rookt zonder ons te zien.
Al zolang ik me kan herinneren, heb ik het gevoel dat ik mezelf maar moeizaam bij elkaar kan houden. Alsof ik met een vlies van cellofaan liters water vast moet houden. Ik heb altijd geweten dat het vlies op een dag zou scheuren, en dat wanneer het scheurde, mijn hele ik verloren zou zijn. Het water zou verdwijnen in stinkende rioolputjes. Het zou verdampen in de zon. Auto’s zouden bandensporen door het water trekken en katten zouden ervan drinken.
Dat beeld – dat cellofaan vlies, de zwaarte van de vloeistof, de onwil tot cohesie, de onbeheersbare vervormbaarheid waardoor het water altijd daar uitpuilde waar mijn hand het cellofaan niet vasthield – dat beeld dat al jaren gestalte geeft aan mijn angst om uit elkaar te vallen, het kan geen toeval zijn. Het kan geen toeval zijn dat die angst in zekere zin bewaarheid werd toen jij geboren werd, nadat ik jou had getild en getorst tot mijn water brak.
In Chicago staat een bankje bij een meer. Er zit iemand. Op het volgende beeld is de man verdwenen. Ik zie hem niet wegwandelen, ik zie hem niet zwemmen, er is geen boot. De webcam registreert met tussenstops van dertig seconden – daartussen is slechts leegte.
Struinend door mijn fotoarchief stuit ik op een foto van jou en mij waar ik nauwelijks naar kan kijken. Ik maakte hem op 30 januari 2021. Jij was bijna vier weken oud. Het is de eerste foto van een reeks selfies die ik maakte om te versturen aan Hannes, die weer aan het werk was. De foto toont mij, liggend op de bank. Jij slaapt op mijn buik. Mijn opgestoken duim moet signaleren dat alles goed gaat.
De foto is gemaakt om 14:43, maar ik draag nog steeds een pyjama. De knoopjes staan open, zodat mijn vlekkerige voedingsbeha duidelijk zichtbaar is. Mijn lippen zijn in de meest krampachtige, mechanische glimlach gewrongen en mijn ogen liggen verwilderd in hun kassen. Wanneer ik inzoom, zie ik dat ze glanzen. Dit is nauwelijks volgehouden zelfbeheersing.
Ik moet ook toen begrepen hebben dat deze foto allesbehalve geruststellend was. Hij werd niet verzonden. Om 15:38 volgt een hele reeks selfies op diezelfde bank, in min of meer dezelfde houding.
15:38: mond meer ontspannen;
15:38: opeengeklemde kaken verslapt;
15:40: lach met nadrukkelijk ontblote tanden;
15:41: mooie, rustige glimlach;
15:42: ander cameraperspectief, iets hoger. Bijna normaal.