fragment 1
Het negerinnetje, zo noemden de zusters me op school. Het waren kranige tantes met donkergrijze kapjes die ons moeiteloos in het gareel hielden. De les begon trouw met een gebed van zuster directrice dat we machinaal aframmelden zonder er ook maar iets van te begrijpen. Ik gehoorzaamde braaf, overtuigd dat zuster directrice ons via een camera in het kruisje aan de muur bespiedde.
De pauzes brachten we door op de binnenkoer, een grijze vlakte met aan weerszijden overdekte zuilenrijen en een naar putjesgeur ruikend toiletgebouw. Nergens was een sprietje groen, een eenzame paardenbloem tussen de spleten van de betontegels werd door de zusters meteen uitgerukt. Ik keek vooral uit naar vrijdag. Dan galmde er popmuziek door de luidsprekers en pauzeerden in de grote binnentuin van de school. Die bestond uit hoge bomen, slingerende paadjes en een diepgroen grasveld waar we niet op mochten lopen. Ter controle patrouilleerde een zuster, meestal zuster Angèle, want zij was de jongste en kreeg de vervelendste taakjes. In tegenstelling tot haar kloostergenoten leek zij wel plezier in het leven te scheppen. Soms sprong ze bij in onze klas, die ze als enige moeilijk onder controle wist te houden, maar meestal was ze te vinden wroetend in de tuin, met haar kapje scheefgezakt over haar blonde haar en een blos van genoegen op haar wangen. Ze was gek op Franse chansons en zeulde overal haar draagbare radiootje mee. Muziek op vrijdag was een van haar verwezenlijkingen. We hielden van haar.
Als we het te bont maakten in de klas werd het wandelverbod tijdelijk opgeheven. Dan vlogen we op bezinning naar de namaakgrot van de heilige Bernadette, in de schaduw van een prachtige magnolia. Ellenlang moesten we in kleermakerszit rond de grot zitten en bidden, met onze knieën in de zachte roze bloemblaadjes. Ik vroeg God altijd maar één ding: of hij me niet zo snel mogelijk blank wilde maken.
***
Die nacht droomde ik dat ik over zonnebloemvelden vloog. Ik was gewichtloos, een vogel in de met wolken bezaaide hemel, tot ik plotseling weer mens werd en naar beneden tuimelde, met mijn gezicht recht in een korrelig zonnebloemhart. Ik schrok wakker. Zonlicht kierde door de gordijnen, maar ik kon het niet goed zien want mijn wimpers plakten aan elkaar. Ik hield mijn adem in en draaide me op mijn zij, met mijn gezicht naar mijn broer. Hij sliep nog, met zijn duim in zijn mond en zijn kussen tegen zijn borst gedrukt. Er zaten gaten in de hoeken van zijn kussensloop, hij vond het fijn om zijn vingers rond de punten van de stof te draaien. Ik trok het flanellen laken over ons heen en luisterde naar de zachte stemmen van mijn ouders. Sinds vaders terugkeer brachten ze veel tijd door in bed. Onder het laken was het warm, de uitgeademde lucht maakte mijn hoofd ijl en bijna viel ik weer in slaap, tot ik voetstappen hoorde die alsmaar dichter bij kwamen. Moeder trok het laken weg, gaf me een kus en vroeg me zachtjes om op te staan. Haar weeïge geur bleef even hangen.
‘Het is al laat, Bintu’, zei ze. ‘Trek je je kleren zelf aan vandaag? Dan maak ik het ontbijt klaar.’
Ik knikte en keek zoals altijd eerst in de spiegel. Mijn krullen plakten tegen mijn kruin, ze groeiden in de hoogte en niet naar beneden, zoals ik zo graag wou. Onhandig wurmde ik me in mijn lievelingsjurk - rood met witte stippen - en liep traag de gang op.
In de badkamer zag ik helderrode spetters op de tegelvloer. Aan de lavabo stelpte vader het bloed dat over zijn keel liep. Zijn gezicht zat onder het scheerschuim.
‘Accident de parcours’, fluisterde hij me toe en hij lachte erbij. Zijn humeur was opgeknapt. Opgelucht ging ik op de toiletrand zitten en wenste hem met een Vlaamse tongval ‘bonjour’. Daarna, glunderend: ‘Ik heb daarnet zelf mijn jurk aangetrokken.’
Hij hurkte voor me neer, hield mijn hand vast en zei: ‘Félicitations. Comme récompense je viens te chercher à l’école aujourd’hui.’
***
Stralend huppelde ik de klas binnen in mijn lievelingsjurk. Mijn klasgenoten zaten in een kring, allemaal met witte en blauwe kleren aan. Ik zocht naar een plaatsje en ging naast de juf zitten, mijn benen gespreid op het tapijt. Door de luidsprekers hief zuster directrice het weesgegroet aan, iedereen pikte in, behalve de kinderen tegenover me. Ze giechelden en fluisterden elkaar toe, hun handen voor hun mond. Nog voor ik besefte dat ze lachten om mij, wees één van hen in mijn richting en riep:
‘Je hebt geen onderbroek aan!’
De juf stopte met bidden. Ik bloosde en trok snel de zoom van mijn jurk over mijn benen. Maar het kwaad was geschied. Iedereen had het gezien. Schouders schokten, en de kring rond me werd steeds kleiner. Het rumoer verstilde pas toen de juf ons geërgerd naar onze schoolbank stuurde. Terwijl we achter onze stoel op haar teken wachtten om te gaan zitten, trok mijn buurjongen mijn jurk omhoog en gaf me een klap op de billen. Ik vroeg me af of ik een engel of een zondaar was. Nu God mijn poep had gezien, vast het tweede.
Op school wilde ik niet opvallen, maar mijn lichaam werkte tegen. Mijn bruine huid kon ik niet wit schrobben, zoals een klasgenootje smalend vroeg. En hoe hard ik thuis ook aan mijn krullen trok en sleurde, het werden geen steile prinsessenlokken zoals die van de andere meisjes in mijn klas. Het kroeshaar stuiterde elke keer koppig terug, alsof de duivel er met een nylondraad grijnzend aan trok.
‘Er is iemand niet in orde’, zei de juf hoofdschuddend. ‘Bintu, het is klasfoto vandaag. Iedereen moet het schooluniform aan.’
Ik keek naar de grond en bedekte mijn rode jurk met mijn handen. Ik was boos op mezelf. Natuurlijk moest ik vandaag mijn uniform aantrekken, dat had ik in kriebelige letters in mijn schoolagenda opgeschreven. De juf stuurde me naar de zusters, die op zolder een handige oplossing vonden. Ze speldden me een oud, bestoft lappendeken rond de heupen, en een rafelig T-shirt. Ik werd vereeuwigd als arm zwartje tussen de keurige witte kinderen, en zou me ook zo de rest van mijn schoolcarrière voelen.
Vader kwam me zoals beloofd na school ophalen. Tegen zijn gewoonte in was hij te vroeg. Ik zat aan mijn schoolbank te luisteren naar de juf die Pluk en de Petteflet voorlas. Van zodra ik hem door het raam het gebouw zag binnenlopen, werd ik misselijk van de zenuwen. Ouders moesten aan de schoolpoort wachten, maar dat wist vader waarschijnlijk niet. Hij en de school waren twee aparte werelden die ik het liefst uit elkaar hield. Blozend keek ik naar de dambordvloer en vroeg me af of ik de zwarte en witte vierkantjes ooit allemaal zou kunnen tellen, of ze in mijn kinderhoofd zouden passen. Toen vader de klas binnenwandelde, zwelde mijn hart van trots. Hij was een mooie, grote man met fijne lippen. Hij lachte zijn witte tanden tevoorschijn. De juf keek op en kreeg een kleur. Grijnzend sloeg ze haar boek dicht.
‘Jongens, de vader van Bintu is er. Hij is Afrikaans. Dat is waar hè, Bintu? Ik vertel het omdat de kinderen misschien nog nooit een neger hebben gezien. Jij bent dat gewoon. Maar zij niet hoor.’
Ik nam mijn boekentas en liep zwijgend naar de deur. Vader schraapte zijn keel, bukte zich en omhelsde me. Er zat een pleister over de snijwonde in zijn nek. En ik weet niet wie de aanzet gaf, maar plots stormden mijn klasgenoten joelend op ons af met hun handen in de lucht. Allemaal wilden ze vader eens aanraken. Met hun grijpgrage vingers rukten ze de bebloede pleister af, die dwarrelend op de dambordvloer landde.
Die avond bleef vader lang onder de douche staan. In bed lag ik te woelen. Ik kreeg het beeld van de kinderen, met handen als klauwen, niet uit mijn hoofd.
fragment 2
‘Ik speel niet met de bruine kindjes want die zijn stom en lelijk. Ik speel alleen met de witte kindjes. Want ik ben ook wit. En blond. Zoals papa.’
Finn zei het met de rauwe eerlijkheid van een kleuter terwijl zijn bloedrode mond droop van de saus. We zaten aan tafel spaghetti te eten. Karel, Finn en ik. Buiten kletterde motregen tegen het raam. Op de stoep ontbond het karton van de verhuisdozen tot een plakkerige brij. Na een half jaar renoveren en kamperen in de tuin woonden we eindelijk in ons droomhuis.
Finn lachte. Boven zijn goede kleren droeg hij een plastic schilderschort met lange mouwen die onder de vetvlekken zat. Binnen werd het stil. Op straat slofte de buurman voorbij met zijn bladblazer. De bladeren, vederlicht, dwarrelden van links naar rechts op. Zijn keffer probeerde ze met korte, venijnige sprongen te vangen. In huis bleef het stil. Ik stond recht en duwde in mijn verbazing de waterfilter omver. Die was van het merk Brita en had als een miniatuurvijver een groen laagje algen op de bodem. Het water stroomde over tafel, druppelde naar beneden via de spleten tussen de steigerhouten planken die ik dagelijks vervloekte omdat ze een vergaarbak waren van kruimels, strijkparels en andere rotzooi. Ik dweilde de vloer en zette de filterkan recht. Toen viel mijn oog op de scheur in het plastic. Ik zuchtte. Alles in huis brak. Het oor van de gebloemde theepot op het aanrecht, het glazuur van de koffieschoteltjes in de kast. Ik herstelde de scherven met secondelijm om er toch maar geen afscheid van te moeten nemen. Maar kinderen die barsten, lijm je niet zomaar.
Ik zocht naar een gepast antwoord, verviel in clichés en quotes van Martin Luther King.
‘Je moet mensen niet beoordelen op hun huidskleur, maar op hun karakter.’
Hoe legde je dat in godsnaam uit aan een kleuter? Karel verstopte zich zoals vaker achter zijn piano, een witte Yamaha die onder een gele laag nicotine zat en waarmee hij sprak als hij de woorden niet vond. Zachte muziek vulde de ruimte, en de meegroeistoel van Finn kraakte onder zijn wiebelende kleuterbilletjes. Ik ruimde de tafel af en lette erop dat ik het houten aardappelmesje niet in de vaatwasmachine stak. Verder dacht ik niets, voelde ik niets, behalve een zekere opluchting. Verbaasd stelde ik vast dat de woorden van mijn zoon mij geruststelden. Ze bevestigden een overtuiging die altijd was blijven broeien: ik ben bruin, stom en lelijk. Pas toen begreep ik waarom Finns huidskleur me ontgoochelde. Eerst en vooral was er de ouderlijke oerdrift om mezelf in hem te herkennen, om mijn ogen, mijn mond, mijn krullen in hem gekopieerd te zien. Maar er speelde meer. In mij doemde een beeld op van lang geleden, van de kindjes uit mijn kleuterklas die joelend met hun bebloede, geklauwde handen aan mijn vader zaten. De angst dat ik zo’n kind op de wereld had gezet. De schaamte om die angst. Waarom kon ik niet onvoorwaardelijk van mijn zoon houden zoals iedere andere moeder?
***
Ik bestelde een DNA-test van GPS Origins. Daarover had ik gehoord op de radio: een jonge vrouw had de test gedaan en zo ontdekt dat ze niet van Turkse maar van Armeense afkomst was. Haar getuigenis bleef door mijn hoofd spoken en uiteindelijk besloot ik om mezelf zo’n test cadeau te doen. Tijdens mijn bestelling op de website van GPS Origins verscheen er een pop-upkader met een foto van een kalende man met wit haar en een air van wetenschappelijkheid. Naast hem een tekstballon:
‘GPS Origins is dé revolutionaire DNA afkomst test waarmee je tot in detail in jouw familiehistorie kunt duiken.’
Ondanks het doorzichtige verkooppraatje klikte ik op ‘Betalen’. Mijn nieuwsgierigheid was prangender dan mijn scepsis. Groot was mijn blijdschap toen ik enkele dagen later mijn kit in de brievenbus aantrof. De procedure was eenvoudig: een minuut lang met een wattenstaafje over de binnenkant van mijn wang strijken en het vervolgens in een envelop opsturen naar een Nederlands bedrijf, dat het op zijn beurt weer zou bezorgen aan een centrum in Londen, volgens de website ‘het grootste, meest gerenommeerde en meest toonaangevende bedrijf voor het uitvoeren van DNA-testen’.
Ik voerde de stappen nauwgezet uit. Het resultaat kwam twee maanden later en was niet echt verrassend voor een dochter van een Vlaamse moeder en een Congolese vader. Ik bestond voornamelijk uit Afrikaanse genen, die voor 42 procent te herleiden waren tot het Bantoevolk in Centraal-Afrika. Mijn noordelijke genen bleken minder talrijk. Ze waren grotendeels terug te voeren tot Ijsland, Noorwegen en Finland. Mijn ‘vikingbloed’, zo noemde ik het graag. Tot mijn verbazing bestond ik ook uit enkele procenten Baskisch, Frans en zelfs Sardijns bloed.
Volgens de resultaten was het daar een multiculturele orgie in mijn genenpoel. Maar was dat echt nieuws? Dat kon ik toch ook gewoon zien door in de spiegel te kijken. Congo had zich verankerd in mijn huidskleur, mijn ogen en in mijn haar. Toch wilde ik mijn etnische achtergrond zwart-wit op papier. Ik was voortdurend op zoek naar bewijzen voor wat ik fysiek overduidelijk was. Bij Finn waren die fysieke trekken er helemaal niet. Droegen zijn genen Afrikaanse sporen?
‘Ik wil Finn ook een DNA-test laten doen’, fluisterde ik tegen Karel. ‘Ik moet weten of zijn genen naar Afrika leiden.’
‘Hou op.’
Karel was ertegen. En de professor die ik enkele jaren terug had bezocht, zei dat het allemaal niet zo simpel was. Maar ik wilde bewijzen. Voor mij, voor vader. Dus bestelde ik een tweede DNA-test en sloop ik ‘s nachts op kousenvoeten naar Finns slaapkamer om er met een wattenstaafje langs de binnenkant van zijn wang te strijken.